geen

Over boerderijen

 

Een boerderij is het gebouw of de groep van gebouwen waarin het boerenbedrijf wordt uitgeoefend en waarin de boerenfamilie onderdak vindt.

De bouw van boerderijen

In sommige delen van het land hebben bedrijf en gezin altijd onder één dak naast elkaar bestaan; in andere delen is de boerderij uitgegroeid tot een omvangrijk complex van meerdere gebouwen. Toch bestaan de meeste boerderijen uit een woongedeelte, een opslagplaats voor hooi en ander veevoer, een opslagplaats voor de oogst (de tas), een stal voor de beesten – koeien, varkens en paarden – en een ruimte om de oogst te bewerken: de deel.

Variaties zijn er naargelang het type bedrijf: akkerbouwbedrijf, melkveehouderij, varkenshouderij en gemengd bedrijf. Zo zal bijvoorbeeld een melkveebedrijf grote deuren (baanderdeuren) hebben om de hooiwagens naar binnen te kunnen laten rijden. In een akkerbouwbedrijf is aan veestalling en hooiopslag minder behoefte.Specialisatie is ondermeer afhankelijk van economische motieven (bijvoorbeeld de ligging nabij een stad) en komt in meer of minder mate voor. Over het algemeen echter is de inrichting van de boerderij een optelsom van een groot aantal activiteiten. De al genoemde opslag van veevoer, van brandhout, zaaigoed, melk, kaas of gereedschap. Te vinden zijn een bakhuis, een spoelkeuken, een pomp, een wagenberging, een reparatiewerkplaats, een duiventil, een moestuin, een jongveestal, enzovoorts.

De bouw van boerenhuizen werd natuurlijk ook bepaald door de beschikbaarheid van de bouwmaterialen. In onze streken was dat aanvankelijk vooral hout, riet, stro, leem en klei. Pas later deed de baksteen z’n intrede.

Een heel belangrijke factor vormde de traditie van de streek. Sommige boerenbouwstijlen zijn lang ongewijzigd gebleven. Zo was het Ezinger boerderijtype honderden jaren algemeen in Nederland. Bij opgravingen in de jaren dertig van het Groninger terpdorp Ezinge kwam dit drie-beukige woon-stalhuis te voorschijn.

De huidige verscheidenheid heeft zich pas aan het eind van de Middeleeuwen uit de oervorm ontwikkeld. De diversificatie had te maken met de specialisatie van het bedrijf naar de mogelijkheden van de streek en het land. De voornaamste reden voor het ontstaan van grotere boerderijen was ruimtegebrek. Allerlei veranderingen in de bedrijfsvoering, zoals de vervanging van de sikkel door de zeis en de invoering van de dorsvlegel, leverden efficiëntere productie en grotere oogsten op, die weer moesten worden opgeslagen. In melkveehouderijen groeide de behoefte aan karnruimte en aan koele plaatsen voor zuivelopslag. Bij akkerbouwbedrijven was er meer ruimte nodig om te dorsen en moest er een aparte graanopslag in huis of op het erf worden gevonden.

Grotere opslagcapaciteit werd in de eerste plaats verkregen door de ingebruikneming van een zolder. De bouw daarvan markeert één van de duidelijkste verschillen tussen boerdentypen. In het noorden en westen wordt het dak gedragen door een dekbalkgebint. De dwarsbalken waarop de zolder rust, liggen boven op de steunders, de verticale bomen die de kap steunen. In het oosten werden de dwarsbalken lager aangebracht. Door middel van een pen-en-gat verbinding kwamen zij halverwege de steunders te hangen. Naar de ‘verankering” van de dwarsbalken in de steunders heet deze constructie een ankergebint.

.De zolder boven een ankerbalkgebint is verhoudingsgewijs groter dan die van een dekbalkgebint; in de praktijk is het dak echter lager. Deze constructie is dus geschikt voor een akkerbouwbedrijf, waar weinig ruimte nodig is voor een koestal – zodat het dak aan de zijkanten best laag mag zijn – maar veel behoefte aan een opslagruimte die ‘hoog en droog’ ligt. De zoldering bestaat meestal uit ronde stammetjes en wordt slietenzolder genoemd.

Tekst mede ontleend aan de publicaties van Koen Kleijn: ‘Boerderijen in Nederland’, uitg. Atrium, 1984.